Spinsels: kleedkamerscènes

5 april 2016

Argeloze bezoekers van een tafeltenniscompetitieavond (zulke mensen bestaan, geloof me!) hebben er geen idee van dat er achter de schone schijn van zo'n sportgebeuren een hele andere wereld schuilgaat: die van de kleedkamer. Vergelijk het met theater achter de coulissen, van kleedkamers, gangen, decor op- en afbouw, om en aankleden, maar vooral van de gierende zenuwen van de acteurs voor opkomst. In de kleedkamer van tafeltennisclub gebeuren ook dingen waar normale stervelingen geen weet van hebben en die soms zelfs het daglicht niet kunnen verdragen (in de meeste kleedkamers zijn daarom ook geen ramen). Ik heb het uiteraard met name over de herenkleedruimte. Van wat er allemaal bij de dames gebeurt heb ik vanzelfsprekend geen weet, al vermoed ik dat er zich daar vergelijkbare scènes afspelen.

Op trainingsavonden is de sfeer er nog joviaal en gemoedelijk, we zijn immers onder elkaar, respecteren elkaar onhebbelijkheden en afwijking, op fysiek en mentaal gebied. Er wordt gesard en geplaagd, maar alles met een oprechte, gulle lach. Het kan een dolle boel worden, met humor om te lachen! Serieuze onderwerpen gaan we als het zo te pas komt heus niet uit de weg en als er één van ons ergens mee zit, een probleem thuis of op het werk, dan is er altijd een luisterend oor en als het moet een schouders om op uit te huilen. We weten allemaal donders goed dat onze sport diepe emoties kan oproepen en iedereen heeft zo zijn momentjes dat het hem even allemaal te veel wordt. Daar hoeven we ons bij elkaar waarachtig niet voor te schamen.

Het lucht weer heerlijk op en een potje tafeltennis kan dan zo troostrijk zijn. Na zo'n avond ziet de wereld er dan toch weer een stuk zonniger uit, vooral als je ook nog eens eindelijke gewonnen hebt van je directe clubrivaal! Kortom: in de kleedkamer geven wij ons letterlijk en figuurlijk bloot voor elkaar, geheimen gestaan daar niet. We gunnen de één dat hij stink sokken heeft en de ander dat hij wat pondjes te veel heeft of zich op merkwaardige plaatsen geschoren heeft. Niemand is tenslotte volmaakt. 

Hoe anders kan het gaan als de competitie is losgebarsten. Dan komen er gasten van buitenaf onze ruimte betreden en ook al kennen we sommigen al jaren (van naam of in ieder geval van gezicht), ze zijn althans voor één avond 'de Tegenstanders': in principe onschuldige medemensen, maar in feite natuurlijk vijanden. Ogenschijnlijk is er dan ook een vriendelijke stemming, er worden zelfs wat grapjes gemaakt, maar ze zijn lang zo leuk niet, een beetje geforceerd, want iedereen weet: de strijd is in wezen al begonnen. Je merkt het aan de onoprechte belangstelling voor elkaar: ''En, hoe hebben jullie vorige week gespeeld?'', waarop dan achteloos wordt gemeld hoe makkelijk ze hebben gewonnen of er worden omstandig excuses aangevoerd waarom ze (overigens maar nèt, het had net zo goed andersom kunnen zijn) hebben verloren. Beide antwoorden interesseren ons niet, maar we voelen ons toch verplicht om op eenzelfde manier verslag te doen van onze overwinningen of tegenslagen, iets wat de Tegenstander dan weer niet echt wil horen, maar het hoort bij het spel dat dus al in de kleedkamer begint: psychologische oorlogsvoering. Er wordt geloerd naar elkaar en het helpt om dan alvast te kunnen vaststellen dat de Tegenstander fysieke afwijkingen vertoont, Bijvoorbeeld in de vorm van zijn postuur, we beoordelen de spierspanning, of hij al of niet protheses draagt, in- dan wel uitwendige of dat hij gewoon een rare, lelijke kop heeft.Verder is er door de toenemende spanning meestal weinig gespreksstof, of de Tegenstander spreken alleen nog met elkaar over voor ons volstrekt oninteressante onderwerpen; het hoort bij de intimidatie vooraf.

Dan wordt het tijd de ruimte te laten voor wat het is: een hok met haken met daaraan vormeloze broeken, jasjes, truien, hemden, t-shirts en onder de banken de schoenen die verwisseld zijn voor sport exemplaren. Eenieder heeft zich in zijn strijd kleding stoken en het treffen wordt in de grote openbare ruimte verder voortgezet en uitgevochten. Af en toe komt een speler terug in de kleedkamer, misschien om iets te pakken of om even ongezien op adem te komen. Een enkeling komt om ongestoord uit de huilen na een verloren partij. De agressie wordt meestal buiten gebotvierd met brullen, tieren en vandalisme in de buurt. Oom de zaal vertoont soms sporen van opgelopen trauma's: gaten in de and of verbrijzeld glas in een deur. De kleedkamer is echter tijdens de wedstrijden eigenlijk een soort vrijplaats: een retraite ruimte, een stiltecentrum waar alleen gefluisterd mag worden. Je ziet er soms twee mensen die het verdriet met elkaar delen. Hier is compassie en wordt de illusie in stand gehouden dat er hogere dingen zijn dan het tafeltennis. Per ongeluk heb ik er zelfs eens iemand getroffen die geknield voor een bankje diep in gebed was verzonken. Dan past slechts zwijgen in eerbied voor zoveel toewijding, zelfs als het een Tegenstander betreft. Jawel, een tafeltennisser is ook maar een (soort) mens....

Heel anders van karakter wordt diezelfde kleedkamer weer nà de wedstrijden. Het pleit is beslecht, er is gewonnen èn dus ook verloren, er valt niets meer aan te veranderen, de wedstrijdformulieren zijn getekend. Er wordt hooguit nog wat nagesputterd of in stilte gemord; de scheldpartijen en verhitte discussies gaan misschien nog door in de kantine, de vechtpartijen worden buiten uitgevochten, maar hier is er de weldadige rust. In de kleedkamer komt men om zicht weer langzaam te transformeren tot een enigszins normaal mens. De spanning is weggevloeid, het zweet heeft de kleding doorweekt. Tegenstanders blijven opeens ook weer gewone kwetsbare mensen die zo hun 'dingetjes' hebben. Het doet er allemaal even helemaal niet meer zo toe. De lach is soms nog een grimas, maar al heel wat oprechter dan voor de wedstrijd. Er wordt met bijna echte belangstelling naar elkaar geluisterd, al is er natuurlijk ook altijd de enkeling die meent dóór te moeten blijven zaniken en zich druk maakt over zijn percentage. De meerderheid van uit- èn thuisspelers keert zich daar dan gezamenlijk vanaf, tot ook die ene er beschaamd het zwijgen toe doet. 

En dan het douchen! Onder de hete, louterende stralen worden de laatste ergernissen samen met het lichaamsvuil in het afvoerputje weggespoeld. Er wordt onbekommerd gelachen, gezongen, gezeept en gesopt, alsof we nooit elkaars vijanden waren: ben je gek, het is maar een spelletje! Dampend en met natte haartjes, afgedroogd, trekken we schone onderbroeken en sokken aan en vullen weer de broeken, T-shirts en overhemden met onze gestalte en strikken onze gewone mensenschoenen. Wat hebben we samen weer fijn gesport, nietwaar? Een kam gaat nog door de haren en de één na de ander vertrekt richting afdronk en nagesprek in de kantine. Dáár kan het nog best wel even (en soms best wel lang) over tafeltennis gaan, over gemiste kansen of die ene gemene netbal, maar in de kleedkamer is er enkel nog rust en een vreemde geurmengeling van transpiratie en douchegel. Aan één haak hangt nog een vergeten trainingsjack. Als het goed is zal daar van de week nog wel over gebeld worden. Misschien zelfs wel door

 

Ed Borman